De opzegging in 1936 van het lidmaatschap van de BOND VAN NEDERLANDSCHE ZWEEFVLIEGCLUBS was zowel bij de Bond als het Nederlandsch Instituut voor Zweefvliegen niet in goede aarde gevallen.
De Eindhovensche
Zweefvlieg Club was het oneens met de hoogte van de contributie voor de Bond en
vond het verstandiger voor dat geld noodzakelijk materiaal aan te schaffen. Dat
werd een 2e startauto, volgens het jaarverslag. Verder staat daarin nog: “Veel beter ware het de geheele bond op te
doeken en onder te brengen bij de KNVvL. Er is toch geen mensch die het
eminente werk zal ontkennen dat deze vereniging verricht voor de Jeugd
Luchtvaart Clubs”?
In februari 1937 werd uit het Luchtvaartfonds een maximum
subsidie toegekend van f. 1100,- Dit was niet voldoende voor het aanschaffen
van de kist, parachute en instrumenten.“Uit
de inmiddels ontvangen offerte blijkt, dat de prijs voor een Grunau Baby ” in
stroomlijnuitvoering, incl. banden, open starthaak, eenvoudigen snelheidsmeter
aan den vleugel, luchtwaardigheidspapieren en omzetbelasting al f. 975,--
bedraagt.
Fijntjes herinnert het Nederland Instituut voor Zweefvliegen de E.Z.C. nog aan het feit dat men geen bericht mocht ontvangen omtrent het toetreden tot de gewraakte bond.
Het lidmaatschap van de Bond bleef een heikel punt. Uiteindelijk besluit de E.Z.C. lid te worden. En dan, vanaf 20 april 1937, raakt de levering in een stroomversnelling.
De opdracht wordt verstrekt aan de N.V. Vliegtuigbouw te
Deventer. “Een Grunau Baby, voorzien van
een variometer en een barograaf en een eenvoudige snelheidsmeter aan den
vleugel”.
Levering van de PH-58 vindt plaats op
28 april. Aanleiding voor de secretaris dit persoonlijk te melden aan het
Instituut. Maar waar blijven barograaf en variometer?
